IJssalon Garrone

Historie

Orlando Garrone (1922-2000)

Onze familie komt uit Asti in Piemonte. Mijn vader Leone Garrone (1892-1962) had een boerderij met grote landerijen. Maar meer dan boer was hij veehandelaar. Hij handelde in vee, vooral in koeien. Door de politieke situatie na de Eerste Wereldoorlog wilde hij weg uit Italië. Mijn vader moest niets hebben van die politieke situatie. Hij was een vredelievend man die niets te maken wilde hebben met de fascisten of met communisten. Zijn zuster Tersilla woonde met haar man in Nederland en dreef een wijnhandel. Op een gegeven moment wilden zij van Nederland naar Frankrijk verhuizen om daar een zaak te beginnen. Mijn vader zag zijn kans en is in 1927 naar Nederland gegaan om te kijken hoe de wijnhandel reilde en zeilde. Mijn vader besloot de wijnhandel over te nemen en in Nederland te blijven. De boerderij werd verkocht. Mijn moeder, mijn zuster en ik zijn na een jaar ook naar Nederland gekomen. Ik was pas zes jaar toen we naar Nederland gingen, van het leven in Italië heb ik dus niet zoveel meegekregen. Maar in Nederland bleven we thuis wel Italiaans spreken en gingen we veel om met andere Italianen. Mijn vader was weliswaar in de wijnhandel gegaan, maar de veehandel had hij niet opgegeven. Hij was altijd onderweg en bezig. Hij reisde vaak heen en weer voor de wijnen of hij kocht koeien in Friesland, die hij moest zien kwijt te raken in Italië. Als kleine jongen van een jaar of tien hielp ik mijn vader een beetje door op de fiets wijn bij de klanten te bezorgen. Dat was leuk en je kreeg hier een fooitje, daar een kwartje. Dat leverde een aardig zakcentje op. Ik leerde natuurlijk ook veel van mijn vader. Het zakendoen werd me met de paplepel ingegoten.

We importeerden niet alleen wijn, maar ook andere Italiaanse producten zoals spaghetti, Gorgonzola, noten en allerlei specialiteiten. De handel viel stil toen de oorlog uitbrak. Halverwege de oorlog ging mijn vader met mijn zuster Elisa in de zomermaanden terug naar Italië. Hij slaagde er daarna niet meer in om over de grens te komen en weer terug te keren naar Nederland. Hij is daar gebleven tot het einde van de oorlog. Mijn moeder was al veel eerder in (1936) met mijn pasgeboren broertje Rinaldo naar Italië teruggekeerd, want zij kon niet goed wennen in Nederland. De laatste oorlogsjaren bleef ik dus alleen hier achter. Italië zat in de oorlog in het verkeerde kamp. Na de oorlog werden de Italianen in Nederland daar op aangekeken, ook al hadden ze zelf niets misdaan. Talloze malen had ik na de oorlog zonder problemen geld op kunnen nemen bij de bank. Tot op een gegeven moment een bankemployee aan me vroeg: ‘U bent toch geen Nederlander?’ ‘Nee.’ ‘Maar hoe kan dat dan? Hoe kunt u dan zomaar geld opnemen?’ Wist ik veel? Maar hij eiste een verklaring van ‘goed Nederlanderschap’, anders kreeg ik geen cent. Mijnheer Witteman, die na de oorlog minister werd, was een hele goede relatie van de wijnhandel. Hij kon in de oorlog wijn bij ons betrekken tot de laatste druppel op was. Mijnheer Witteman heeft ons geholpen met het verkrijgen van die verklaring.

Voordat wij de ijszaak aan de Grote Houtstraat in handen kregen, dreef meneer Zardus daar zijn ijspaleis ‘Zardus’. Zardus was ook Italiaan en huisvriend van mijn vader. Mijn vader was zelfs peter van een van zijn kinderen. De kinderen van Zardus kwamen op zekere dag naar mij toe met de vraag of ik wat papieren wilde vertalen. Dat bleken emigratieformulieren te zijn. Ik ging naar Zardus toe. ‘Gaan jullie emigreren?’ vroeg ik. Hij ging inderdaad emigreren en wel omdat hij bang was dat de Russen zouden komen. ‘Jij kan de zaak kopen,’ zei hij, want zijn broer had geen belangstelling. Ik zeg: ‘Wat moet ik nou met en ijszaak, we hebben toch de wijnhandel?’ Hij zei: ‘Ga maar eens in Den Haag vragen hoe lang het nog duurt voor de wijnimport weer op gang komt.’ Het was immers vlak na de oorlog. Ik deed navraag in Den Haag. Daar kreeg ik te horen dat het nog jaren kon duren voor de import weer genormaliseerd zou zijn. Gelukkig kwam de wijnhandel een half jaar later al vrij, maar het leek op dat moment wel een goed idee om in de ijszaak te stappen. Ik moest zien dat ik mijn vader warm kreeg voor die ijszaak. Ik belde hem op en legde uit hoe de kaarten lagen. Als ik niet snel besliste zou die zaak aan mijn neus voorbij kunnen gaan. En het heeft ook maar een haartje gescheeld toen er meer kapers op de kust kwamen.

Mijn vader heeft opgebeld naar mijn nicht Luisa, mevrouw Giraudi. Zij was pas weduwe geworden. Zij hadden een poppenfabriek in Zevenaar. Dat was een naamloze vennootschap en het liep niet goed met de vreemde vennoten na het overlijden van haar man. Mijn vader heeft gevraagd of ze niet met haar twee jongens Giovanni en Erminio naar Haarlem wilde komen om met mij de ijssalon te gaan drijven. Zij heeft na enige bedenktijd ja gezegd. Ze heeft haar aandeel in de poppenfabriek goed verkocht en is naar Haarlem gekomen. Zodoende  ben ik samen met de zoons van mijn nicht in het ijs terecht gekomen. De familie Giraudi en de familie Garrone waren ieder voor de helft eigenaar van de zaak. Ik was net in 1947 getrouwd met Palmira Pauletta en we hadden al een eigen huis. Mijn nicht is boven de zaak gaan wonen met de jongens en haar vader. De ijssalon was eerst ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als ‘Italiaanse IJsfabriek La Torino’. Maar op de gevel hebben we Giraudi gezet, omdat onze wijnhandel al de naam Garrone droeg.

Toen we begonnen heb ik tegen mijn nicht gezegd: ‘We kunnen twee dingen doen: goed ijs maken of slecht ijs maken. Ik ben voorstander van goed. En jij? ‘Ja, ik ben ook een voorstander van goed.’ Dus goed ijs is het geworden. Ik had ervaring met ijsbereiden. Veel italianen, met wie mijn vader bevriend was, zaten in het ijs. Ik hielp vaak een handje mee in hun zaak en van hen heb ik zodoende geleerd hoe je ijs moest maken. Het ijs bereiden was een liefhebberij geworden. Het meeste heb ik geleerd van Talamini uit Den Haag. Hij had ook een zoon aan wie ik dingen kon vragen. Het recept dat ik van Talamini had gekregen, heb ik verbeterd met wat ik van andere Italiaanse ijsbereiders opstak en met wat ik zelf uitvond. Zardus gaf ons ook nog een recept. Met die receptuur zijn we gestart en daarmee zijn we zeer succesvol geworden.

We hebben op deze manier ons eigen ijs ontwikkeld dat uniek is in Nederland. Het is niet alleen uniek van smaak, maar het is ook een smaak die het Haarlemse publiek ligt. Ze vinden ons ijs in Haarlem lekker. Ons Italiaanse ijs is wat lichter. Veel ingrediënten zoals Malagawijn en noten importeerden we zelf, om de unieke Garronesmaak te realiseren. Dankzij ons importbedrijf hadden we de beste producten van de beste leveranciers uit Italië en elders. De ingrediënten moeten eerste klas zijn, want we willen een constante, hoge kwaliteit volhouden. In de beginjaren waren er nog niet zoveel verschillende smaken. Pas later hebben we een steeds groter assortiment van smaken ontwikkeld. Er kwamen later geregeld mensen bij ons langs die een nieuwe ijszaak waren begonnen en van ons wilden weten hoe we ijs maakten. Wanneer ze zo’n bedrijf hadden overgenomen gebeurde het weleens dat de vorige eigenaar niks, maar dan ook niks, wilde verklappen van zijn receptuur. Onze receptuur is ook geheim, we moeten immers om onze concurrentie denken, maar met de eerste beginselen op basis van een algemeen recept willen we wel helpen. De rest moeten ze zelf uitvinden.

Zardus had de zaak net mooi verbouwd en we hielden het interieur zoals het was: de toonbank, de wandschilderingen. Het interieur heeft Beate nu weer in die oude staat teruggebracht, afgezien van kleine vernieuwingen. De pui kon destijds niet worden opengeschoven zoals nu. Er liep een lage vensterbank onder het grote raam, in een portiek opzij zat de toegangsdeur. Omdat we niet hoefden te verbouwen, konden we snel na de overname opengaan. In het najaar zijn we begonnen. Dat is eigenlijk raar om na de zomer te beginnen, na het hoogseizoen. Het was een hele slechte zomer geweest, maar het najaar werd fantastisch. We hadden meteen geweldig succes. We zijn wel opengebleven tot december. Natuurlijk hadden we in het begin veel kosten die moesten worden gedekt, maar het heeft niet lang geduurd voor we geen stuiver schuld meer hadden. De jongens Giraudi tevreden, Palmira en ik tevreden, en zodoende kregen we steeds meer animo voor de zaak. We hebben samen de zaak groot gemaakt.

We hadden nooit verwacht dat het zo’n vlucht zou nemen. De eerste vijf jaar deden we ook niets anders dan werken. Om negen uur ’s ochtends begonnen we, om middernacht sloten we en ’s nachts bleven we vaak nog toch in de kleine uren in de zaak. Schoonmaken, ijsbereiden, noem maar op. Later hebben we hulp aangetrokken, want we konden zo eigenlijk niet doorgaan. We werden ziek en doodmoe. Ik dreef in de winter bovendien nog altijd de wijnhandel waar ik vooral na de wijnoogst en tegen de kerstdagen druk mee was. Ik had dikwijls in de winter niet eens zondags vrij. Maar jongens Giraudi hadden een geweldig enthousiasme voor de zaak waardoor ze het konden volhouden. Ook mijn zuster Elisa werkte in het begin een paar jaar in de zaak, tot ze ging trouwen en in Italië ging wonen. Mijn vrouw Palmira heeft altijd gewerkt in de zaak. Later, toen we ook een ijssalon in de Cronjéstraat dreven, heeft ze zelfs zeven jaar alleen gewerkt toen ik ziek werd vanwege mijn nieren. In het midden van de jaren vijftig maakten we ook ijstaarten voor bezorging. Dat waren eigenlijk meer schalen die we opmaakten. Met een soort koelwagen brachten we dat rond. Maar daar zijn we snel mee gestopt. Je moest naar Bloemendaal, Overveen en noem maar op. Het kostte te veel tijd. Dat hebben we niet langer dan drie of vier jaar gedaan. Toen zeiden we: ‘Het is afgelopen, ze komen maar naar ons toe als ze ons ijs willen hebben.’

Irene Grenzius was onze eerste kracht van buiten de familie. Zij kwam als jong meisje bij ons in dienst. Anna Heyermans, later getrouwd met Cannavacciuoli van restaurant Napoli, en Corrie en Hennie Terpoorten volgden haar op. Dat waren leuke meiden. Je kon hen echt vertrouwen. We hebben ook enkele meiden gehad die niet te vertrouwen waren met de kas. In het begin hadden we overigens nog geen kassa, maar een geldlade. Dat vonden we op den duur niet professioneel genoeg, dus in het begin van de jaren zestig kwam er een kassa. De kassa hebben we apart tegenover de toonbank geplaatst, dat bleek het beste te werken. Anders stond je elkaar in de weg.

Zonder betrouwbare leveranciers ben je nergens. We hadden natuurlijk voortdurend verse melk en room nodig. Rutte was de eerste leverancier die ons melk kwam brengen. Daar zijn er nog vele op gevolgd. Rutte kwam bijna dagelijks met een motorbakfiets veertig kratten melk brengen. De kratten waren van ijzer dus dat was loodzwaar. Ik herinner me een keer dat hij na het sjouwen op de toonbank ging zitten die net in de bleek was gezet.

Scholten uit Amsterdam leverde ons de wafels, horentjes en afdekwafels. Hij kwam één keer in de week langs. Hij wist altijd precies hoeveel wafels; hij kwam de voorraad opnemen en stuurde dan een vrachtrijder langs. Hij was destijds de baas van de nog steeds bekende pannenkoekenmeelfabriek. Alleen de obliewafels lieten we door een ander bakken. Vruchten kwamen van Lucas. Verder hadden we onze eigen import, daar kon geen leverancier tegenop.

We werkten samen in de zaak, de families Giraudi en Garrone. Mijn broer Rinaldo was een nakomertje en kwam pas later in de zaak. Zoals gezegd was hij hier in Nederland geboren, maar met mijn moeder teruggegaan naar Italië. Hij woonde in Italië tot hij op zijn achttiende jaar naar Nederland kwam. Rinaldo is dus opgegroeid als Italiaan. Ik ben hier met mijn vader en mijn zuster gebleven en voel me meer een Nederlander. Rinaldo had geen zin in school. Mijn vader zei: ‘Als jij niet wilt studeren, dan kom je maar naar Nederland en dan kun je daar leren wat werken is.’ En zo kwam hij in 1954 naar Nederland, eigenlijk eerst tegen zijn zin. De zaak groeide toen al uit en we konden wel een paar extra handen gebruiken. Hij wist aanvankelijk niets van ijs. In het begin dacht hij dat hij gek werd van de drukte en het harde werken. Hij had nooit gedacht dat hier zo hard gewerkt werd. In het begin had hij er niet veel zin in, maar gaandeweg kreeg hij meer gevoel voor ondernemen en het ijsmaken. Rinaldo heeft hier het drijven van een ijszaak geleerd en is in 1972 naar Italië teruggegaan om daar ijs te gaan verkopen in een eigen zaak aan de Riviera, in San Bartolomeo. Hij maakte daar het ijs zoals hier met groot succes.

De familie kreeg in 1953 ook een ijszaak in de Generaal Cronjéstraat. Lenie, de zuster van Palmira, had dat bedrijf oorspronkelijk samen met Giovanni Giraudi gekocht. Zij heeft later het aandeel van Giovanni overgenomen, toen die in 1961 in Zandvoort met een andere ijssalon begon. Zij dreef die zaak daarna samen met Palmira’s andere zuster, Miep. Toen Lenie in 1964 trouwde, ging ze haar man helpen in diens modezaak. Zodoende stond de zaak leeg en heb ik met mijn vrouw de Cronjéstraat overgenomen. Giovanni Giraudi is in 1960 getrouwd met een Hollands meisje, Rosemarie Picavet. Zij hebben in Zandvoort een zaak overgenomen die oorspronkelijk noga verkocht en zijn daar ijs gaan verkopen. Die ijssalon hebben ze tot grote bloei gebracht. Het compagnonschap hebben we in 1972 verbroken, toen Erminio Giraudi naar Italië vertrok en daar een vleeshandel is begonnen. Hij bood mij zijn aandeel aan, maar ik zat goed in de Cronjéstraat. Ik heb een brief naar mijn broer geschreven en hem dat aandeel aangeboden. Hij heeft toen zijn zaak in San Bartolomeo weer verkocht en is uit Italië weer hiernaartoe gekomen. Toen de Giraudi’s hun eigen weg gingen, hebben wij de naam veranderd in Garrone. Op het stadhuis raakten ze steeds in de war met onze namen. Het was duidelijker dat de ijszaken van de gebroeders Garrone ook Garrone heetten.

We kregen enorm veel schooljeugd in de zaak, het zat barstensvol. Het was soms niet mooi meer. Het was zo druk dat je er de zenuwen van kon krijgen. Aan het eind van het seizoen was je ook echt op. Je had geen kracht meer om door te gaan. Je was blij dat je kon zeggen aan het eind van oktober: het is weer even afgelopen. ’s Ochtends opende je de geschrobde en geboende zaak en dan begon het in de eerste schoolpauzes: Een stel kwetterende meiden komt binnen, ‘Meneer mogen we een ijsje hebben want ik ben namelijk jarig.’ Binnen vijf minuten was het dan een chaos op de vloer van vlekken, papier, houten lepeltjes en bakjes. De rotzooi moest je dan snel weer opruimen, omdat de oudere klanten zich daaraan konden storen. Die hielden er natuurlijk ook niet zo van om door een jonge wilde meute naar de toonbank te moeten dringen. Het leek hier wel een jeugdclubhuis soms, dus dat moest je goed in de hand houden om andere klanten niet af te schrikken. Om één uur begon de zaak vol te lopen. Ze kwamen van school en spraken hier af. Die bietste van die en leende van die. Ze bleven rondhangen tot sluitingstijd. De drukte ging door tot twaalf uur ’s nachts. De meesten kwamen uit scholen in de Koningsstraat en aan de Dreef en de Tempeliersstraat. Verder hadden we veel aanloop van de kantoren, van het ziekenhuis, van de dansscholen en van de bioscopen. In alle drukte moest je natuurlijk wel je humeur en je fatsoen bewaren. ’s Ochtends begonnen we correct; ’s avondsom zes uur waren we half correct; en ’s nachts om twaalf uur moest je oppassen om niet grof te worden: ‘Ga naar huis, ga naar je moeder, schiet op.’ Je moest wel streng blijven, anders kreeg je ze niet om twaalf uur weg. Wanneer het sluitingstijd was, ging ik midden in de zaak staan en riep: ‘Politie te paard! En nou d’r uit.’ En dan deed ik het ene na het andere licht uit. ‘Hé, laat aan, ik zie mijn ijsje niet eens meer.’ ‘Dan had je maar eerder moeten komen.’ ‘Ach, klerelijer.’ En dan gingen ze eindelijk en kon je de deur op slot doen.

De zaak was in de jaren vijftig en zestig een ontmoetingsplaats voor de jeugd. Het waren roerige tijden. Die knapen waren soms knap lastig, aan de andere kant hebben we veel gelachen. Het liep tegen twaalf uur en ik was de ijsmachines aan het leeghalen. Eén van die gasten, meneer Piet zullen we maar zeggen, stond voor de ramen en riep: ‘Is die en die al gekomen?’ Ik zeg: ‘Nee, die is nog niet geweest. Wacht maar even tot hij komt.’ Hij had al verschillende ijsjes op en leunt tegen de pui van onze buurman en ja hoor, daar komen twee jongens aan. ‘Hé, schorem, leef je nog?’, riepen zij vanuit de verte. Piet, die een hele bink was, vroeg: ‘Wat zeiden jullie daar?’ ‘Hé, schorem.’ Voordat hij iets kon doen, hadden ze hem te pakken en hebben hem een-twee-drie door de enorme etalageruit van de gordijnenwinkel gegooid. Ik kende die jongens niet, die waren hup verdwenen. Daar kwam Piet binnen. Huilend. Hij had niks, geen splinter in zijn lijf. Ik zeg: ‘Piet, hoe voelde dat nou?’ Dezelfde Piet kwam eens met een andere knakker aan. ‘Mag ik even mijn trompet hier laten?’ ‘Ja natuurlijk, Piet. Dat mag toch altijd.’ Piet had zijn vaste plekje om dat ding neer te zetten. Je brak er je benen over wanneer je naar beneden ging. Ik vond eigenlijk dat dat gedonder nou eens afgelopen moest zijn. We hadden wafels., dat waren van die hele dunne velletjes. Die hebben we in het mondstuk van die trompet gepropt. Daar kwam die vriend van hem met wie hij die trompet samen had. ‘Dag, heeft Piet de trompet hier neergezet?’ ‘Ja hoor, je weet waar ie staat.’ Hij kwam met die toeter tevoorschijn en ik daag hem uit om wat te spelen. ‘Joh, jij kan daar toch niks van.’ Nou, hij zou wel eens even wat laten horen. Hij zet die toeter aan zijn mond en blaast en blaast tot  hij rood ziet… Maar geen geluid. Op dat moment komen Piet binnen. ‘Wat is dit nou?’ Die twee krijgen ruzie: Hé, jij hebt dat ding kapot gemaakt, je hebt ermee zitten rommelen. Hij is helemaal kapot.’ Zo stonden ze een paar minuten te bekvechten en te blazen. Wij hadden het niet meer. Uiteindelijk pakten we de trompet en trokken de prop eruit. Toen was alles weer goed.

Er waren nogal eens relletjes tussen Zandvoortse en Haarlemse jeugd bij bioscoop Lido. Een zekere Paultje kwam bij ons en zag dat er om de hoek wat loos was. ‘Nou, daar moet je maar niet naar toe gaan want dat kan je je nek nog wel kosten’, zei ik. Je moet weten dat hij op school een weddenschap was aangegaan wie het langste zijn nek in een strop kon houden. Dat was maar net goed afgelopen. Hij heeft maanden met een manchet om zijn hals gelopen. Maar Paultje wilde die relletjes beter zien. Hij ging steeds dichterbij en kwam op de hoek bij het toenmalige Baja. Hij was nog niet het hoekje om of hij krijgt klappen van de politie op zijn manchet en hij wordt afgevoerd. Zijn vader heeft hem nog van het bureau moeten halen.

Veel scholen zoals de katholieke meisjesschool Sancta Maria zijn nu verdwenen, ook het ziekenhuis dat toen op de Vest zat. Toen de scholen en het ziekenhuis weggingen, werd het wat rustiger. De oudere mensen konden wat meer aan bod komen. Dat vonden wij uitstekend na al die jaren van drukte. Het was een verademing dat we niet meer de hele tijd de boel rustig hoefden te houden. De winkels in de buurt hadden altijd veel last van de fietsen van de jeugd die bij ons ijs kwam eten. Dan kwamen ze hier nog wel eens klagen, maar we konden er niet veel aan doen helaas. Er was geen plaats voor fietsenrekken. Nu de Grote Houtstraat een wandelstraat is, is er zelfs plaats voor een terras. De laatste jaren is er weer veel veranderd. Van onze oorspronkelijke buren is bijna niemand meer over, alleen de ijssalon is er na 50 jaar nog steeds. Garrone is meegegaan met de tijd, maar een ding is hetzelfde gebleven: de kwaliteit van het ijs. Ik ben trots op ons ijs en trots op onze familie die dat ijs al die jaren gemaakt heeft.

geschreven in 1999